Een paar jaar geleden was ik in de Hermitage. In Amsterdam, wel te verstaan. Er was een prachtige tentoonstelling te zien: ‘Impressionisme, sensatie & inspiratie.’

Ik heb genoten. Heerlijk om me te laven aan die prachtige schilderijen van Monet, Renoir, Pissarro. En om weer eens te lezen hoe de impressionisten in die tijd omstreden waren. Want hun ‘klodderwerk’ voldeed op geen enkele manier aan de regels van de Franse salons. Men vond de stukken schokkend en té sensationeel. Het Impressionisme had lak aan alle regels. De doeken toonden beweging, ze leken haastig gemaakt, en er zat geen lering of boodschap in. De schilders werden geweigerd in de Parijse salons.

De Refusé’s zoals ze zich zelf noemden, verenigden zich. De scheldnaam ‘Impressionisten’ werd later hun geuzennaam. Het was een prachtige expositie. Maar wat mij echt het meest fascineerde was het volgende: het was voor het eerst dat kunstschilders buiten werkten, in de vrije natuur. Door de uitvinding van de verftube in 1836 konden ze hun ezel oppakken en in de vrije natuur schilderen.

‘Naar buiten met die ezel!’ Was dan ook een van de leidende spreuken voor de tentoonstelling.’ Vóór die tijd bewaarde men de verf in varkensblazen, waar het natuurlijk heel snel hard in werd. Wat een vrijheid moeten die verftubes hebben betekend! Grappig dat een eenvoudige uitvinding soms zo’n invloed kan hebben…