Gisteren zat ik in de trein van Den Haag naar Amsterdam rustig mijn krant te lezen. Toen ik opkeek dacht ik éven dat ik in een van mijn kinderboeken was beland. Vóór mij zag ik een Sinterklaasmijter. Echt! Ik wreef mijn ogen uit. De mijter was er nog steeds. Sinterklaas! Ik raapte al mijn moed bijeen. Zou ik het durven? Zou ik de Waarde Goedheiligman durven aanspreken?

“Sint, Sint ú hier in de trein?” zei ik, ademloos.  “Ja”, zei de Sint met een licht Amerikaans accent, en hij krabde in zijn baard. “De trein is toch sneller dan mijn paard.”
Deze Sint bleek een hulpsinterklaas; een Amerikaan met een Nederlandse vader en op weg naar een bijeenkomst van expatriots. Het was voor hem de eerste keer dat hij hulpsinterklaas was. Hij vroeg mij of er nog ‘evergreens’ waren; uitspraken die een Sint altijd zegt. “Zijn hier nog stoute kindertjes”, zei ik. “Dat doet het altijd goed.”

Even later liep ik met hem door het overvolle Amsterdamse Centraal Station. Ik voelde me een soort groupie en was er trots op naast de Sint te mogen lopen. Want iedereen wees, lachte en zei aardige dingen. Het was als een warme mantel, die over ons neerdaalde.”Het enige dat je hoeft de doen om alle liefde van Nederlanders te ontvangen is een Sinterklaaspak aan trekken,” constateerde ik. Ik vond het eigenlijk wel iets voor een inburgeringscursus.

De Sint bedankte mij op zijn Amerikaans voor mijn vriendelijkheid en verdween in de nacht. Dag Sinterklaasje, dahag dahag… lieve Sint.
Het enige waar ik nu een beetje spijt van heb is dat ik toch niet stiekem mijn verlanglijstje in zijn zak heb gestopt. Je weet maar nooit…’

“Sint, u hier zomaar in deze trein?
Vindt u reizen in de trein wel fijn?”
“Ja”, zei Sint en hij krabde in zijn baard.
“Het gaat toch veel sneller dan met mijn paard.”Kadeng, kadeng, dit zijn de leuke dingen,
en ik hoef niet eens een liedje te zingen!